Toen Anders Breivik deze zomer toesloeg, onder progressieve politieke jongeren, heb ik dat ervaren als een bijna persoonlijke aanslag op mijn geloof. Het is wellicht de meest ingrijpende gebeurtenis die ik de voorbije jaren als voorzitter van sp.a en als progressief heb meegemaakt. Omdat deze abjecte daad doelbewust een heel mensbeeld en een ideaal aan flarden trachtte te schieten. Utoya was niet het werk van een losgeslagen gek. Het was de negatie van alles wat menslievend en sociaalvoelend is.
Kogels komen niet van links of rechts, ze komen altijd uit dezelfde loop. Ze komen altijd van fanaten die het niet goed voor hebben met de mensheid. Niet met verre vreemden, niet met dichte buren. Fanaten die, ironisch genoeg, vaak uit de naam van een geloof uit zijn op de vernietiging van elk reëel geloof in een betere wereld. Fanaten die elke concrete stap in die richting verafschuwen. Ze kunnen niet overweg met vrijheid en emancipatie, met empowerment van onderdrukten -of het nu vrouwen, jongeren of welke ‘anderen’ dan ook zijn-. Waar mensenrechten, inclusief sociale rechten, versterkt worden, halen ze wreedaardig en verwoestend uit.
Het is dat geloof dat in heel de ‘oude’ wereld, Europa, onder vuur ligt. Gelukkig niet zo letterlijk als in Noorwegen, maar daarom niet minder virulent. Speculanten en bankiers maken het tot speelbal in de roulette van hun casinokapitalisme. Hoe virtueel geldstromen ook mogen zijn, ze ontwrichten wel reële economieën. Geld spreekt niet, het doodt wel. Het kost over de hele wereld op dit eigenste ogenblik mensenlevens. Het duwt de afgelopen jaren opnieuw mensen in de armoede. Het breekt welvaart en welzijn af aan een ritme dat verhoudingsgewijs hoger ligt dan het tempo waarmee we in het ‘vrije Westen’ de afgelopen zestig jaar onze welvaartstaten hebben uitgebouwd.
En wat wordt er tegenover gesteld? We zien lakse regeringen in een almaar verdeelder politiek Europa. Een politiek van laisser faire, gelatenheid of opgewarmde neoliberale recepten. Er is in onze welvaartstaten een molm gevaren waarbij het doel -meer geluk, betere levensomstandigheden- vervreemd is geraakt van de middelen -herverdeling en wederkerigheid. De sociale zekerheid wordt in zijn originaliteit -het blijft het meest briljante progressieve idee van de vorige eeuw- niet meer (h)erkend. Feitelijke misbruiken maken het alleen maar kwetsbaarder. En links moet veel meer de tegenmacht zijn.
Hoe anders, hoe vitaler, leek mij het afgelopen jaar de wind die door de Arabische wereld woei. Revoluties zijn altijd onvolmaakt, maar de grondstroom was er een van hoop. Van animo, ook daar. En een niet te stuiten hang naar vrijheid, respect, gerechtigheid en ontplooiing van het individu en/in de gemeenschap. Niet te stoppen door kogels of brute, cynische macht. En evenmin was het de contrarevolutie waar de Arabische Breiviks van Al Qaida op hoopten toen ze nu tien jaar geleden toesloegen in New York.
Hoe fris ook lijkt mij het afgelopen jaar het initiatief van David Van Reybrouck en zijn G1000. Democratie is altijd onvolmaakt, maar de grondstroom is ook daar een van hoop. En het geloof dat je samen verder komt dan alleen, dat genuanceerd denken en respectvol omgaan met elkaar een samenleving creatiever maakt dan conflictdenken.
Het is dat geloof ook dat mij naar onze partij gedreven heeft. De overtuiging waarvan ik vier jaar lang het ‘uithangbord’ heb mogen zijn in Vlaanderen, behelst zoveel meer dan louter een sociaal-economische visie, een verhaal van brood en rozen. Het gaat in se over een identiteit, een geheel van normen en waarden die we delen als beschaafde, sociaal vooruitstrevende mensen. Na vier jaar voorzitterschap ben ik er meer dan ooit van overtuigd dat we die waarden niet moeten verloochenen. We moeten ze juist versterken en actualiseren door er een nieuwe taal en andere vormen voor te vinden.
Een nieuwe taal want de ‘arbeider’ van de vorige eeuw is vandaag net zo goed de alleenstaande of de uit de markt geduwde vijftigplusser als de tweeverdiener die zichzelf ongelukkig en ziek holt tussen werk en crèche of school. De ‘zwakkere’ vandaag, diegene die onze progressieve steun verdient, is voor mij net zo goed het slachtoffer van klimaatopwarming als de ondernemer die de creatie van goede producten, diensten en duurzame welvaart verkiest boven de dubbele winstcijfers op korte termijn.
Andere vormen, want de structuren van gisteren kunnen nooit de doelstellingen van morgen dienen. Onze partij is een sterk vehikel, maar ik heb het ook soms ervaren als een carcan voor progressieven zonder stamboom maar met wortels in de levendige maatschappij. We zullen moeten uitbreken en verzamelen.
We beleven een tijd die geen cynisme (meer) kan verdragen. Geen oude recepten, geen starre structuren en ook geen dagjespolitiek. Dit is een tijd om een nieuw verhaal te schrijven, met de waarden die geen duizend Breiviks ooit kapot krijgen. Het zijn de waarden die ik vier jaar lang elke dag, ook als het de partij niet voor de wind ging -of misschien net dàn- in mijn hart heb gedragen en zal blijven dragen.
Herman de Coninck heeft dat geloof ooit prachtig verwoord in zijn gedicht Mening. Ik begin nog elke werkdag met een blik op die woorden, ze tooien al vier jaar mijn keukenmuur. “Vooraan in mijn tuin vertellen rozen/ een helderrode mening waar ik achter sta./ Te kijken.// Ik geloof in socialisme zoals de natuur/ ons dat leert, wie zei dat ook weer: lucht/ en zon zijn van iedereen.// De gelijkheid van er is voor allemaal evenveel/ regen, groeien jullie maar, planten./ En de prachtige ongelijkheid die dat oplevert.” Hou dus de moed van onze overtuiging hoog, beste vrienden. Het blijft nodig. We hebben elkaar nodig. Caroline Gennez

