Michaël R. Roskam is, wat je noemt, een wroeter. Droomde ervan striptekenaar te worden, volgde grafische vormgeving, schilderde een beetje, had twaalf stielen en dertien ongelukken. Maar toen was er dat ene idee: hij wilde een film maken. Rundskop. Een Vlaamse film noir. Een uit de Vlaamse klei getrokken, maar tegelijkertijd universeel verhaal. Roskam liet het idee jaren rijpen. Hij joeg zijn droom maniakaal na –schreef in zes jaar tijd 22 versies van het script-, trotseerde tegenslag en afwijzingen en krabbelde altijd weer recht. Hij zette door, met talent en veel lef. Tot het resultaat er lag en, enigszins tot zijn eigen verbazing, niemand er nog naast kon kijken.
Het zijn karaktertrekken die mij, net zoals de setting van de film, bekend voorkomen. Ik ben zelf opgegroeid op Truiense grond. Ik ken die mix van doorzettingsvermogen en redelijk ongepolijst talent. In het Truiens zeggen we: “Tis ginne gemekkeleke, tis ne keikop, he zal nog voul be zenne kop teigen de moer kletsen. Ma, dee gie ter koume, dee hei het in em.” (Het is geen gemakkelijke, het is een keikop, hij zal nog veel met zijn hoofd tegen de muur botsen, maar die komt er wel, die heeft het wel in hem).
Maar wat het verhaal van Roskam mij ook opnieuw leert, is dat talent altijd wel ergens wortels heeft, maar dat de vrucht ervan desondanks –of juist daardoor- die afkomst overstijgt. Het werk van Louis Paul Boon is ook ondenkbaar zonder de humus van Aalst en Erembodegem. En Hugo Claus had nooit Het verdriet van België kunnen schrijven zonder zijn Kortrijkse of Oostendse kinder- en jeugdjaren. Maar juist die verbondenheid, en vooral de gave van de kunstenaar om met dat primaire materiaal aan de slag te gaan, tilt de zeggingskracht van het kunstwerk op een hoger plan.
Die kwaliteit heeft Rundskop ook. De film is veel meer dan een streekepos, het is een naturalistisch drama. Hoezeer ook geworteld in het Vlaamse landschap, fysiek en mentaal, in decors en personages, het is voor alles een “tragisch en universeel verhaal over liefde, trouw en misdaad”, zoals acteur Matthias Schoenaerts het omschreef.
Rundskop is zonder meer Clausiaans in opzet. Of om nog verder in de tijd te gaan: het is Stijn Streuvels in de eenentwintigste eeuw. Het gebruikt feiten, actualiteit en context (in casu: de hormonenmaffia en de moord op veekeurder Karel Van Noppen) en setting (het dialect, het Vlaams-Belgische milieu van boeren en garagisten, een natuur met van belofte en dreiging zwangere landschappen) om een schilderij te borstelen van de dromende, maar ook jammerlijk falende mens. Van de Icarus die alle mogelijke middelen, ook ongeoorloofde, aanwendt om naar de zon te vliegen, maar zijn vleugels schroeit.
Wat we te zien krijgen, is de mens die de maakbaarheid van de dingen –niet te verwarren met het nobele streven om iets te maken van het leven- dermate ver doordrijft, dat het zich finaal tegen hem keert. Vetgemeste runderen en mensen zijn het resultaat. Wat we zien, is de mens die in zijn honger naar geld en macht, de grenzen van het humane overschrijdt. En wat uiteindelijk overblijft, wat op het einde de werkelijke drijfveer en lotsbestemming blijken, is het amechtig zoeken naar wat zielerust, naar een portie geluk, wat vriendschap en liefde.
Zoals bij Claus en Boon vormen de lokaal zeer herkenbare tijd en ruimte het canvas waartegen supralokaal herkenbare, diepmenselijke drama’s zich ontrollen. Het is nooit zwart of wit. Slachtoffers zijn ook daders, schuld en boete spelen haasje over. Of, om terug te komen op Streuvels bij wie het fatum uiteindelijk ook altijd het Hoofdpersonage was: Rundskop is een kunstwerk dat ons op een uitzonderlijk fijnzinnige manier confronteert met “de genadeloosheid van het lot”, zoals Roskam het noemt.
Bref, deze film heeft ook mij –als Truienaar, als kunstliefhebber, als politicus en als Vlaming- bij het nekvel gegrepen. En ik ben wat trots dat we nu ook een Truienaar mogen toevoegen aan het lijstje van de grote Vlaams-universele kunstenaars. Tis ne vur niks e ras apoat.

